VOGELS VANGEN IN DE KERSTVAKANTIE (in de jaren 5O)

We keken altijd uit naar een koude kerstvakantie, met vorst en sneeuw. Onze dagen waren dan gevuld met ijs- en sneeuwpret. Maar dat was niet alles.

Wij brachten ook heel wat tijd door met het vangen van vogels ; want na  enkele dagen van koude waren ze gemakkelijk te lokken met voedsel.

We konden er hard tegen aan gaan, want van vogelbescherming hadden we toen nog weinig of niets gehoord op de boerenbuiten.

Wij vingen merels in de sneeuw, met een assenzeef en wat rotte appels.
We bakten dan nog iedere week, brood op steen in het ovenbuur. De oven werd opgewarmd met bussels hout, komend van het kappen van de wilgen. Eenmaal de oven op temperatuur, werd de houtskool eruit getrokken met een lange haak. De houtskool werd gezeefd en verder verbrand in de Leuvense stoof. Het was die zeef die diende als val voor de merels.

We legden enkele rotte appels onder de assenzeef. Deze werd aan één zijde ondersteund met een stokje. Aan deze stok, werd een lang touw gebonden en zodra de merel onder de zeef kwam, werd het stokje onderuit getrokken. De merel zat gevangen.

De vogel werd in de volière gestopt, kreeg er het traditionele voedsel van P. Sluis en wij waren gelukkig als we in de vroege lentemorgen “onze” merel hoorden fluiten.

Een andere bezigheid, was het vangen van mussen. Traditioneel gebeurde dit met mussenijzer. Maar wij hielden er een andere methode op na, met korenaar en lijm.
Korenaren vinden midden in de winter, was niet vanzelf sprekend. Wij haalden deze boven in de “tas” (stapel) in de “hangar” (open loods) waar de ongedorste schoven lagen.

Onze lijm werd gemaakt van lijnolie (normaal gebruikt voor maken van verf), die we uitkookten tot een dikke, plakkende  brij.

Aan de korenaar lieten wij een stukje strohalm van ongeveer 2O cm die wij insmeerden met lijm en zo op een steentje op de grond legden.

Achter een raam hielden wij de situatie in de gaten. Van zodra een mus in de korenaar pikte, was er kans dat het stro op haar vleugels viel, zodat ze niet meer kon opvliegen en wij er achter aan.

We hadden ook nog een andere methode, n.l. bij stormachtig weer in het donker, mussen vangen in het stro.

Als het regende en waaide, sliepen de mussen niet in de bomen of hagen, maar meestal in het stro in de open loodsen (hangars). Ze kozen de zijde, uit de wind en uit de regen.

Wij gebruikten een soort schepnet, zoals de lijnvissers maar 3-4 maal groter. Een lange stok met een hoepel eraan gemonteerd en over deze hoepel, een net.

We sloegen het net tegen het stro, de mussen vlogen eruit en zaten gevangen.
We deden meerdere boerderijen, te voet in regen en wind, en kwamen vermoeid thuis met een goede appetijt voor de borststukjes van de mussen, gebakken in de boter.

De grote zwermen mussen van toen, zijn zeldzamer geworden door gebrek aan biotoop en gelukkig worden zij nu niet meer zo belaagd.

Eric Vincke

Aanvullende gegevens