DRIESLAGSTELSEL: EVOLUTIE

Het was een lange weg van het drieslagstelsel naar vruchtafwisseling en het voortdurend grondgebruik.

Het is ondertussen al lang geleden dat het drieslagstelsel werd toegepast. Bij dit stelsel van grondbeheer was het nog niet mogelijk om zoveel mest te gebruiken dat het bouwland van een hoeve elk jaar kon worden gebruikt om vruchten te telen. In hoofdzaak kwam het er op neer dat de grond eerst werd beteeld met zomergraan (na winter gezaaid) en vervolgens met wintergraan (voor de winter gezaaid) om het volgend jaar braak (ongebruikt bouwland) te blijven liggen. Dit was het vruchtafwisselingssysteem dat de ganse middeleeuwen bleef dient doen. Het bouwland van een hoeve lag dus steeds voor 1/3de ongebruikt en dat was een dure zaak vermist de grond niets opbracht. Vermits het drieslagstelsel typisch middeleeuws was, vindt men in deze geen aardappelen vermeld want die waren nog niet vanuit Amerika tot ons gekomen.

Met de tijd heeft men heel wat vruchtafwisselingsystemen bedacht alvorens een evenwicht te vinden tussen de grondvruchtbaarheid èn de bodemstructuur èn het weghouden van het onkruid dat op braakliggende grond welig zou tieren.

In de 16de eeuw was Vlaanderen vooruitstrevend. Zij schakelden toen als eerste over op een vierslagsysteem waarbij dus slechts 1/4de in plaats van 1/3de van de grond een jaar bleef braak liggen. De Engelsman Richard Weston noteerde deze werkwijze ter plekke in Vlaanderen en publiceerde deze in zijn land. Mede door zijn publicatie, waarbij de Engelsen maar niet begrepen waarom zij daar niet als eerste hadden aan gedacht, kon daar de grote agrarische evolutie plaatshebben die de mogelijkheid liet om nadien de industriële revolutie te laten doorgaan. Deze eerste evolutie werd in Nederland de “Vlaamse bouwerij” genoemd en was tot in de 19de eeuw met die naam bekend.

Het drieslagstelsel ontstond ten tijde van Karel De Grote die ook in die tijd wist dat de bevolking aangroeiende en voorzag dat niet meer den 1/3de van de grond mocht blijven braak liggen. Door de vele gemene gemeenschappelijke weiden die rond een dorp gelegen waren en die vrij voor de dieren van de dorpsgemeenschap mochten gebruikt worden. Dit had het grote nadeel dat het door de dieren geproduceerde mest werd verspreid over de gans te begrazen oppervlakte. Het nieuwe bestond er in om de dieren meer op stal te houden, het voeder naar de dieren te brengen en de mest en aal die ze produceerden geconcentreerd bij de houden en enkel daar te gebruiken waar men meer nodig had. Het drieslagstelsel bleef op een aantal plaatsen buiten Vlaanderen nog tot in de late 19de eeuw van toepassing. In de 18de eeuw werd het nog algemeen toegepast. Zo bleef men bij het systeem van: 1ste jaar braak, 2de jaar winterkoren en het 3de jaar zomerkoren. Vanaf ongeveer het jaar 1800, vroeger of later in tijd naargelang de streek in Europa, werd het drieslagsysteem aangepast. Dit gebeurde onder invloed van de klaver- en rapenteelt die voor het eerst in Vlaanderen werd toegepast in het midden van de 17de eeuw In het midden van de 18de eeuw kwam de aardappelteelt de andere gewassen nog vervoegen. Deze teelt kon evenmin geen twee jaar na mekaar op dezelfde grond worden aangeplant omdat de knollen veel voedsel uit de grond weg namen. Deze teelt moest dan ook in het gehele plantsysteem weer worden geïntegreerd, wat niet eenvoudig bleek.

Het grote voordeel van deze teelten werd reeds hoger aangehaald: het maakte het mogelijk om de dieren veel op stal te houden, meer mest te verzamelen en die gecontroleerd op bouwland te brengen. Deze evolutie viel ook samen met het meer gebruik van kalk en potas. Potas of kalium, een van de mineralen die een plant nodig heeft om te groeien, werd verkregen uit verbranding van plantenresten. Deze werd in de 18de eeuw meestal aangevoerd vanuit Nederland waar men ruim voorhande zijnde lagen turf e.d. kon verbranden tot de zgn. potas. Het aangevoerde goedje werd dan ook Hollandse as genoemd.

Langzaamaan zal het drieslagstelsel, soms reeds uitgegroeid tot een 4, 5 of 6 jarig- stelsel, overgaan in een constante vruchtafwisseling, waarbij de gronden elke jaar kon worden bebouwd en het braakjaar volledig weg viel. Pas wanneer deze evolutie klaar was, kon de landbouw, reeds nauw aansluitend bij de eerste groenteteelt op grotere oppervlakte, een nieuwe richting ingaan.

Willy Van Hoof


Aanvullende gegevens